Vraag

 

De roep vanuit de maatschappij is dat er meer, langer en harder gestraft zou moeten worden.
Toch lijkt dit in het geheel niet effectief. Hoe zouden we beter kunnen ’straffen?’

 .

Antwoord

 

Elke vorm van overtreding of misdaad is in de kern een vorm van ongelukkigheid. Niemand wil vanuit zijn diepste overtuiging slecht zijn.
Dit gedrag ontstaat altijd vanuit een reactie die in een keuze overgaat. En soms een keuze die in een patroon verandert.
Straffen, en als dat niet helpt nog strenger straffen, ligt in het verlengde van de gedachte dat ’slechte’ mensen van de goede mensen gescheiden moeten worden.
De maatschappij zoekt haar rechtvaardigheid via de correctie, de ‘wraak’ en de buitensluiting.
Niet het willen doorgronden van onwenselijk gedrag is het belangrijkste doel, maar het afgeven van het ’signaal’ dat de maatschappij dit gedrag niet tolereert.

 

Aanpak vanuit de bron

 

De effectiviteit van een straf hangt nauw samen met de aanpak van haar bron. Wanneer een vorm van ongelukkigheid, teleurstelling, eenzaamheid, verdriet of andere vorm van onvrede en onevenwichtigheid de bron is van de verkeerde keuzen die men maakt, dan is het achterhalen van deze vorm van ongelukkigheid de eerste prioriteit. Dit vraagt aandacht, dit vraagt tijd en dit kost geld, maar het is de enige manier om de betrokkene het verband te laten zien tussen zijn onvrede en zijn disharmonische gedrag.
Vervolgens zal de aanwezige kwaliteit of vaardigheid van de betrokkene onderzocht, belicht en gestimuleerd moeten worden. Waar mensen in hun natuurlijke vermogens worden aangesproken, worden ze gesterkt hun ongelukkigheid een tegenpool te geven. Waar gevangenen bijvoorbeeld in staat worden gesteld wilde paarden te temmen, leren ze om geduld te hebben, aandacht aan een ander te schenken, verantwoordelijk te zijn, discipline te ontwikkelen. Op deze wijze verandert straf in een gedragsontwikkeling ten aanzien van de eigen rijkdom en verantwoordelijkheid.
Elke vorm van straf is een vorm van onmacht. En omdat straf vanaf de kindertijd een rol speelt in het leven van de mens, verdient dit begrip vanaf onze jeugd een wezenlijk andere benadering dan nu doorgaans wordt gehanteerd.

 

Van onmacht naar onderzoek

 

We kunnen geen rechter zijn zolang we onszelf niet ‘recht’ hebben gedaan en recht hebben gemaakt. Dat wil zeggen: eerlijk zijn tegenover onszelf maakt dat we eerlijk kunnen worden tegenover een ander.
Er kan geen goede begeleider van een gevangene (of van wie dan ook) zijn als deze niet eerst zelf zijn eigen gevangenschap heeft leren doorgronden en zich daarvan heeft leren bevrijden.
In ieder mens is, hoe diep verborgen soms ook, is het goede aanwezig. Het is de plicht van de maatschappij dit goede in de ontspoorde te vinden, te belichten en hem de weg te wijzen er iets moois en goeds mee te doen. Zolang we hier niet alle moeite, alle geld en alle tijd aan willen geven, zullen we op de ‘armoedige’ manier met onze ontspoorden blijven doorgaan.
We zullen ze niet op het rechte pad helpen, we zullen ze enkel blijven wreken als de ongelukkige en onbegrepen zijde van ons eigen (vaak zo ongelukkige) innerlijk.

Theije Twijnstra