Iedereen is opgewonden.
Iedereen doet blij.
Dat geeft veel drukte.
Wie niet opgewonden is,
moet het snel worden.
We niet luidruchtig blij is,
kan niet gelukkig zijn.
Zo wordt gezegd door allen die opgewonden zijn.
En blij.

.

Iedereen praat snel.
Iedereen beweegt met z’n hoofd en handen.
Wie langzaam praat wordt niet serieus genomen.
Wie niet beweegt met hoofd en handen,
wordt niet opgemerkt.

.

Dit legt veel beslag op wie het ziet.
Wie het ziet,
neemt afstand.
Wie afstand neemt, heeft iets abnormaals.
Ook dit geeft druk.

.

Er moet veel.
Er moet beleefd worden.
Er zijn lijsten voor.
Beleven betekent hier:
verplicht meemaken op straffe dat je niet geleefd hebt.
Wie niet met een parachute is gesprongen,
noch een ver land heeft bezocht,
met de Indianen heeft gedanst
of met de dolfijnen heeft gezwommen,
heeft niet echt geleefd.
Ook dit geeft druk.
Want hoe te leven als je dit niet voelt?
Hoe te hebben geleefd
als je leven onopvallend verloopt?
Zonder verhalen die imponeren?

.

Iedereen werkt mee aan druk.
Ook zij die geen druk veroorzaken.
Ze geloven de verhalen.
Ook zij die jaloers zijn.
Ze verlangen naar deze verhalen.
Ook zij die het proberen.
Ze imiteren de verhalen.
Alleen zij die zich afsluiten
en zich toch niet afgesloten voelen,
werken niet mee.
Ze verkeren in zichzelf.

.

Kan dat?
Soms.
En het is moeilijk.
Mag dat?
Alleen als je ervoor openstaat
en wel zo open dat je niets anders meer wilt.

.

Iedereen gaat snel.
Wie snel gaat, leeft.
Wie glanzend gaat, heeft het begrepen.
Wie groots gaat,
maakt het waar.
Wie over alles heen gaat,
wordt nagekeken.
Nagekeken worden is een hoog doel.
Je wordt namelijk niet alleen nagekeken
maar ook overmatig benijd.
En niet alleen nagekeken en overmatig benijd
maar ook verkettert.
Hoeveel geluk wil je nog meer?

.

Iedereen is moe.
Je ziet het in de avond.
Je ziet het in de morgen.
Je ziet het als een droge sloot
die door het dagelijks leven stroomt.
Er is geen water in deze levenssloot.
Er zwemmen geen visjes en salamanders,
er groeit geen pijlkruid of waterlelie.
Het is een dorre greppel van moeheid
en oplopende, niet te stuiten teleurstelling.
Er spelen geen kinderen bij deze sloot.
Ook geen ouder die zich kind voelt.
Er varen geen kleine bootjes,
noch hoor je gelach en gespartel.
Iedereen is bij de grote rivier.
Deze is van plastic
maar omdat iedereen zegt dat het water is,
gelooft iedereen dat het een rivier is.
Tot de zon ondergaat.
Het plastic is verdroogd en gaat kraken.
Scheuren.
Uiteenvalt.

.

Iedereen was erbij.
Deed mee.
En wie zich erbuiten bevond,
had zich al bevrijd.
Hij was niet waar de anderen waren.
Hoe gelukkig is hij
die niet bij de plastic rivier zijn leven heeft beleefd.

.

(c) Theije Twjnstra