Als ik niet in mijn eigen ritme ga,
ga ik te snel of te langzaam.
Als ik te snel ga,
ben ik bang te weinig te krijgen.
Overal wil ik als eerste zijn,
wil ik de grootste hebben of zijn,
wil ik gezien worden, geëerd worden.
In alles ben ik te gulzig,
omdat ik geen ‘genoeg’ beleef.
Mijn onevenwichtigheid laat mij de onrijpe,
zure vruchten van mijn angst eten.
Als ik te langzaam ga,
ben ik bang om te veel te geven.
dan aarzel ik, dan ben ik schoorvoetend in alles,
dan ben ik een en al voorzichtigheid.
Alles wil ik tevoren berekenen
zodat ik geen enkel risico zal lopen iets kwijt te raken.
Mijn onevenwichtigheid laat mij de overrijpe,
rotte vruchten van mijn angst eten.

.

Uit: Blijmoed.
(c) Theije Twijnstra