‘Wie ben jij?’ zei de oude schrijver.
‘Ik heb je nooit eerder gezien en toch kijk je me aan alsof je me heel goed kent en begrijpt.’
‘Ik ben de dood,’ zei het meisje.
‘Ach,’ zei de schrijver, ‘dat had ik nooit gedacht. De dood als een klein meisje.’
‘Ik kom je helpen,’ zei het meisje.
‘Waarmee?’ zei de schrijver.
‘Met het verhaal.’
De schrijver schrok.
‘Natuurlijk, ik moest nog wat doen, maar kon niet meer op het idee komen.
Het mooiste verhaal. Wat is jouw idee? Vertel me. Waarover zal ik schrijven?’
Het meisje boog zich naar hem toe en fluisterde hem iets in het oor.
‘Is dat alles?’ vroeg de schrijver, ‘hoef ik alleen maar…’
Ze maande hem met haar hand.
‘Stil,’ zei ze, ‘niet meer praten, niet meer denken, niet meer ordenen.
Schrijven’

.

Uit: Maar eerst zullen we kinderen zijn, blz. 48
(c) Theije Twijnstra