Wanneer een bioloog een onbekende plant wil determineren,
verzamelt hij de verschillende waarneembare gegevens van zijn onderwerp.
Hij kijkt naar vorm en grootte van blad, steel, naar de bloeiwijze,
de kleur en eventuele geur,
naar de grondsoort en welke andere planten in de directe omgeving aanwezig zijn,
naar de ligging qua zon en schaduwwerking,
kortom hij gebruikt zo veel mogelijk zichtbare verschijnselen
om tot een oordeel te kunnen komen
in welk verband deze onbekende plant staat
tot de kennis die hij al eerder heeft verzameld.

.

Dezelfde benadering wordt ook van ons gevraagd
als we ons leven beter willen leren kennen.
Wat is er gebeurd?
In welke periode gebeurt het?
Waarom in die vorm?
Waren er al aanwijzingen die mij erop hebben voorbereid?
Hoort dit bij mij alleen
of is dit een algemeen iets dat iedereen overkomt?

.

Hoe gevoeliger men is,
hoe meer vragen men leert stellen.
Al deze vragen verzamelen een kennis die zich kan opbouwen.
Wie nooit een vraag stelt
maar alles in onverschilligheid ervaart
omdat het gaat zoals hij het wil
en als het anders loopt, meteen gaat klagen,
zal nog niet in staat zijn deze levenskennis te vergaren.
Volledig afhankelijk van de wisseling der omstandigheden
zal hij wakkergeschud moeten worden.

.

Wie echter de moeite neemt
zijn dagen tot vragen te maken,
vragen die bedoeld zijn om ergens achter te komen
omdat hij wil weten, begrijpen,
een verband tracht te ontcijferen,
zal door deze levenshouding met steeds meer informatie beloond worden.

.

Dat is de eenvoudige en eerlijke wet
die voortkomt uit de inzet
en die leidt tot een steeds groter inzicht
van de samenhang waarin men leeft.
.
(c) Theije Twijnstra