Hoe ouder je wordt,
hoe meer mensen uit je omgeving zullen sneuvelen.
De meesten via ziekten,
sommigen via plotselinge gebeurtenissen.

.

Waar je in je jonge jaren
vooral te maken hebt met een omgeving die uitdijt,
krijg in je latere dagen te maken
met een omgeving die verder en verder uitdunt.

.

Het slagveld van het bestaan bouwt zich gestaag op.
Soldaten tegenover de aardse tijd zijn we geworden.
Stramme strijders meestal,
velen hebben in hun loopgraven plaatsgenomen,
een goede voorziene pensioenpot naast zich,
verzekeringen strategisch aan de rugzijde gepositioneerd
en wat verzamelde levenswijsheden die,
naarmate ze beproefd worden,
harder gaan rammelen of zelfs uit elkaar vallen.

.

Stil is het daar in die loopgraven.
Het wachten is op de dood.
Deze schijnt een gigantisch leger aan te voeren.
Ze dragen meestal witte of lichtgroene kleding,
dragen vaak een bril, bezitten sterk behaarde armen
en zijn voorzien van een luide,
meestal scherpe stem.
Op een professionele manier zijn ze ook nog vriendelijk.
Maar toch,
ze horen wel bij de zwarte generaal.

.

De loopgraven veranderen heel geleidelijk in een graf.
Maar dat wordt nog niet zo beleefd.
Wat wel beleefd wordt,
is de toenemende onzekerheid,
de angst voor afhankelijkheid,
de afname van energie,
de toename van kwalen en krampen.
En steeds meer bezorgde blikken vanuit de omgeving.

.

De avond valt.
Hoe zal het morgen zijn?
En daarna?
Is deze loopgraaf nog wel voldoende beschermend?
Moet ik geen andere zoeken?
Of moet ik er juist uitkomen?

.
‘Hier ben ik dood.
Ik ben niet bang.
Ik ken je maar al te goed.
Volgens mij ben je nooit weg geweest,
liep je al die tijd al naast me.
Wat zeg je?’

.

De dood komt nog iets dichterbij.
Dan hoor ik:
‘waar ik ben, ben jij geweest.
Waar jij naar toe gaat, kan ik niet komen.
Wat anders dan het voorbij
laat ik je zien?
Wat anders dan het oneindige
help ik je ontmoeten?

.

(c) Theije Twijnstra