(vervolg bemoediging 149)

.

Toen we nog alleen waren, waren we vrij.
We konden doen wat we wilden.
We vierden onze vrijheid en hadden plannen.
Wilde plannen.
Grootse plannen.
Maar vooral: onze plannen.

.

Maar ja, de liefde,
die gekke vreemde liefde bracht ons van slag,
liet ons dwalen en dwarrelen,
verwaaien en stormen.
Ze liet ons rennen en huppelen,
schroeien en schreien,
wat deed ze niet met ons?

.

Tot ook dit seizoen doofde
en wij de rust vonden bij een ander.
Een ander die ons aanvoelde,
ons wilde kennen,
zich zo voor ons interesseerde
dat we ervan bloosden,
er niet genoeg van konden krijgen.

.

We kregen complimenten,
we werden mooi bevonden,
lief gevonden, aantrekkelijk, interessant,
er was zo veel wat ons werd toegedicht
dat we het gingen geloven.
Heeft een overvloed niet haar eigen overtuigende gelijk?

.

Een aan een liepen we door onze dagen.
We waren een stel,
we hadden ‘iets’
en daartussen kon niets meer komen.

.

Maar ook dit bleek bij een seizoen te horen.
En met het wegglijden
van wat zo overvloedig goed en gul was geschonken,
kwamen de verwijten tussen de kieren van het samenzijn.

.

Sommigen hebben het ondanks alles toch gered.
Anderen sneuvelden op het slagveld van de liefde.
Maar toch,
de meesten kwamen met of zonder kleerscheuren,
bij dat vreemde gevoel:
kinderen.
Hoe zal het zijn een kind te hebben van jezelf?
Wie zal bij ons komen?
Wie zullen we aantrekken?
Hoe zal het met z’n drieën zijn?
En daarna?

.

(wordt vervolgd)

Eén Reactie op “Bemoediging (150)”

  1. lia :

    Dank Theije, geweldig!