Een ieder bevindt zich in een geheel eigen fase van het bestaan.
Waar de een ter wereld komt,
verneemt de ander het bericht een ernstige ziekte te hebben.
Waar bij haar de verliefdheid haar eerste lentesprongen maakt,
beleeft hij de laatste uren van zijn kind.

.

Dit spel der lotswisselingen
gaat door elke generatie
en hoewel er overeenkomsten zijn tussen de een en de ander
voelt men vooral de eenzaamheid van de eigen situatie
als de meest indringende realiteit.
‘Wat ik meemaak, zal een ander nooit kunnen navoelen.’
En dat is ook zo.
Maar het is geen tekort van het bestaan
maar een noodzakelijkheid voor onze groei.

.

Wie de eenzaamheid als sterkste beleving ervaart,
ondergaat in die periode
de onttakeling van een illusie
waarin hij zo lang heeft geloofd:
’samen staan we sterker.
Met z’n allen moet het lukken.’
Het is deze illusie
die tot op het materiële niveau haar waarde heeft
maar op het gevoelsniveau tekortschiet.
Het is de scherpte van het eigen levensbereik
die dan gevoeld wordt
en die niet langer overdraagbaar blijkt te zijn.
Het is de eenzaamheid,
de zo gevreesde eenzaamheid
die tot nu toe zo goed gepareerd kon worden,
maar die dan onvermijdelijk toeslaat.

.

Wie echter eerder in zijn leven
het onderscheid heeft leren aanbrengen
tussen wat je wel
en wat je niet samen kunt beleven,
zal zichzelf als baken hebben ontwikkeld.
Hij heeft begrepen:
je kunt niet verwachten
dat een ander je in alles zal begrijpen.
Er is een enkelheid in ervaren
dat ik geheel alleen zal moeten onderzoeken
en zo zal moeten leren begrijpen
dat juist deze eenzaamheid
de toegang zal blijken te zijn
tot een grotere onafhankelijkheid.

.

Ieder mens bevindt zich op een onvergelijkbare plaats
met daarbij horende ondeelbare ervaringen.
Dit is hem zo gegeven
om erachter te komen
dat hij wordt uitgedaagd
deze alleenheid te doorgronden,
van zijn afhankelijkheid en patroon van zelfmedelijden te ontdoen
opdat hij na dit innerlijke proces
de daarachter liggende vrijheid
ten volle waard zal zijn.

.

(c) Theije Twijnstra