Klagen komt veel voor.
Het is een tweede natuur voor velen.
Ze klagen over het weer, hun collega’s, hun werkgever, hun partner, hun kinderen, hun gebrek aan tijd, hun gezondheid, hun ouders, hun verleden, hun toekomst, hun heden.
Er is maar weinig waarover ze niet klagen.
Meestal klagen ze niet over alles tegelijk.
Dat zou te veel opvallen.
Ze klagen over één ding maar dan wel uitgebreid.

.

Naast dit ene klaagonderwerp presenteren ze zich als heel redelijke mensen.
Dan zeggen ze bijvoorbeeld: ‘Je kunt over alles klagen, maar dat vind ik onzin. Er zijn genoeg dingen om blij mee te zijn, maar de verhoging van de BTW, dat kan echt niet. Daar móet je tegenin gaan.’
Daarmee lijken ze heel rationeel en evenwichtig te zijn.
Ze hebben alleen niet in de gaten dat het deze keer de BTW is en morgen Griekenland en overmorgen de schoonouders en volgende week de auto en de daarmee verbonden garagekosten.
Daarna komt de school van de kinderen aan bod, de politiek, onderwerpen te over voor iemand die van klagen zijn levensweg heeft gemaakt.

.

Klagers doseren hun klachten en voorkomen zo dat ze als klagerig, zeurderig of zuur te boek komen te staan.
Klagen is het gevolg van niet zelfstandig te willen denken, geen eigen weg te midden van al het andere in het leven, te willen vinden.
Klagende mensen zijn ook volgzame mensen.
Ze willen graag geleid worden en daarmee de verantwoordelijkheid aan anderen overlaten.
Ze volgen graag de heersende meningen en invloeden zodat ze zelf zo veel mogelijk weten wat er van hen verwacht wordt.
Binnen deze kaders voelen ze zich veilig en vanuit deze veiligheid vindt hun geklaag een goede en vruchtbare grond.
Zodra deze veiligheid verandert, worden ze echt bang.

.

Zo kan het gebeuren dat iemand heel lang naast iemand woont en daar een hekel aan heeft, (er dus ook heel veel over klaagt) maar zodra deze vervelende buur gaat verhuizen dit jammer vindt, want stel je eens voor dat er iemand komt te wonen die nog vervelender is!
Daarmee wordt duidelijk dat hun geklaag een uitingsvorm is die niets voorstelt, geen ander doel dient dan de instandhouding van hoe het nu is.
De duidelijkheid van een opgelegd en vertrouwd kader is voor hen een baken.
Dit baken bekritiseren ze onophoudelijk zodat ze de indruk wekken zelfstandig te denken.
Dit zelfstandige vrezen ze echter het meest.
Ze willen niet zelfstandig denken of handelen, ze willen zich afzetten.
Meer niet.
Klagen is daarmee de patroonmaker bij uitstek geworden.
Niets consolideert zo goed als klagen.
Het is jammer dat je van klaagstof geen conserveringsmiddel kunt maken, want dan zou je etenswaren minstens honderd jaar goed kunnen houden.

.

Door te blijven klagen, zorgen ze ervoor dat alles blijft zoals het is.
En daarmee is klagen vooral: stilstaan in de hoop dat daarmee de levensstroom aan je voorbij zal gaan.
Je niet zal aanraken of omvergooien.

.

Wie iets van zijn klagen zou menen, gaat ermee aan de slag.
De beste manier om met klagers om te gaan, is ze geen aandacht te geven.
Voor je het weet, klaag je met ze mee terwijl je het eigenlijk helemaal niet zo beleeft.
Zodra je een klager tegenkomt, zeg je: ‘Ik heb te doen!
Het ga je goed.
Ik hoop dat je snel op een andere manier tegen het leven aan zult kijken!’

.

.Theije Twijnstra