Langzaam komt de aarde dichterbij.
Daar beneden is de moeder.
Ik kan nog niet zeggen ‘mijn moeder’ want ik ben nog niet in haar.

Ik vlieg door de ruimte en voel dat ik naar haar onderweg ben.
Mijn leven gaat zo beginnen.
Ik ben nog heel even vormloos.
Hoe zal mijn leven verlopen?
Wie zal ik tegenkomen?
Welke fouten zal ik maken?
Welke keuzen zal ik betreuren?
Hoe zal ik alles ervaren?

Andere levens tollen om me heen.
‘Pas op!’ zegt een leven.
‘Pas op voor de hunkering naar erkenning!
Je hebt er al zo veel ellende mee beleefd.
Verlang niet naar waardering van anderen want dit is schijn die je niet verder brengt.’

Een tweede leven komt nu naar voren: ‘Spreek niet te veel!
Alles wat je zegt maar nog moet bewijzen omdat het spreekt van ijdelheid moet je vermijden.
Spreek liever te weinig dan te veel.
Maak van de stilte je beste dialogen.’

‘En vergeet niet,’ komt een derde leven, ‘vergeet niet dat het snel gaat!
Je levensgaren is zo dun dat je heel voorzichtig moet zijn en geen roekeloze avonturen moet aangaan én omdat je je tijd heel goed moet inzetten voor dat waarvoor je gekomen bent.’

‘Gekomen?’ flitst het ineens door me heen.
Waarvoor ben ik gekomen?
Een straal van licht, helder en heel recht, ongekleurd en toch van vele nuanceringen voorzien, zegt mij:
‘Je bent gekomen om het bestaan te duiden.
Om een dag betekenis te geven.
Je bent gekomen om de mens naar zichzelf te wijzen.
Ze zullen je niet met plezier ontvangen en je willen treffen waar ze menen dat jij hen wilt treffen.
Ze zullen jouw verhaal keren zodat je… ‘

De lichtstraal zwijgt en verdwijnt.
‘De tijd,’ hoorde ik het derde leven nog zeggen, er was nu een soort haast in zijn stem gekomen, alsof het voelde dat er iets onvermijdelijks stond te gebeuren, ‘vergeet niet dat alles in een oogwenk voorbij zal zijn.
Het kan niet anders, zei het derde leven.

‘Hoe snel?’ vroeg ik.
‘Hoe snel gaat het voorbij?’
Toen wist ik: ik ben aangekomen.
En ook: de duur van mijn leven is gelijk aan de snelheid waarmee ik naar dit leven kwam.

.

Theije Twijnstra